1. Hoe gaat de stichting om met de privacy van ouders die het keurmerk aanvragen?

Wij houden ons aan de regels die gesteld zijn in de Wet op de Bescherming van Persoonsgegevens. We verstrekken aan derden geen informatie over al of niet aangevraagde of verleende certificaten. Hierop is één uitzondering, namelijk als we schriftelijk van ouders toestemming hebben verkregen om bepaalde informatie met een nader aan te geven derde te delen. Evenmin leggen we in onze rapportage mogelijk gevoelige gegevens vast. De motivatie voor thuisonderwijs blijft buiten de rapportage, evenals eventueel beschikbare medische gegevens.

2. Wat is het civiele effect van het certificaat?

Het civiele effect van het certificaat gaat over de geloofwaardigheid ervan. De vraag is: in hoeverre zijn derden – dat kunnen personen zijn, maar ook instanties – geneigd of bereid het oordeel van de stichting over te nemen? Met andere woorden, ziet men het certificaat als een sterk bewijs dat er sprake is van deugdelijk thuisonderwijs? Die vraag is nog niet goed te beantwoorden. Dat komt omdat de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs nog maar kort bestaat en nog geen brede bekendheid geniet. Wij doen er van onze kant veel aan om de geloofwaardigheid van het certificaat te bevorderen. Zo hebben we een degelijk traject ontworpen voor de verwerving van het keurmerk, waarin aandacht is voor zowel de beschrijving van het thuisonderwijs op papier als voor de praktische uitvoering ervan. De leden van de Raad van Toezicht, die mogen gelden als experts in onderwijs en thuisonderwijs, hebben dit traject in orde bevonden.

3. Waarin onderscheidt het keurmerk zich van toezicht door de overheid?

Niet iedereen lijkt blij te zijn met het keurmerk. Sommige ouders vrezen misschien dat het keurmerk op dezelfde manier gaat werken als een beoordeling door de Inspectie van het Onderwijs. Dat is evenwel geenszins het geval. We noemen drie verschillen. In de eerste plaats is het keurmerk een particulier initiatief waar de overheid niets mee te maken heeft. Er zijn geen afspraken gemaakt met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, noch met de Inspectie van het Onderwijs en geen van de betrokkenen bij de stichting is gebonden aan de overheid. In de tweede plaats kenmerkt het keurmerk zich door vrijwilligheid. Wij komen niet ongevraagd op bezoek en wij oefenen op niemand enige druk uit om het keurmerk aan te vragen. Een derde belangrijk verschil is dat we ons onthouden van een negatief oordeel. De certificeringsprocedure kent maar twee uitkomsten: het keurmerk wordt wel of niet verleend. Een niet verleend keurmerk wil niet zo maar zeggen dat er sprake is van slecht of onvolwaardig onderwijs. Het betekent alleen dat de aangetroffen situatie niet voldoet aan de eisen die aan het keurmerk verbonden zijn.

4. Hoe is de financiële positie van de stichting?

De stichting heeft twee inkomstenbronnen: donaties en inkomsten uit aangevraagde certificaten. Aan de uitgavenkant vormen bureaukosten (waaronder papier, inktpatronen, postzegels, drukkosten), webontwerp en reiskosten in verband met huisbezoeken de belangrijkste posten. Leden van het bestuur en van de Raad van Toezicht zetten zich belangeloos in; zij ontvangen geen honorarium. Door de kosten laag te houden is er sprake van een gezonde financiële positie.

5. Wanneer ontstaat er een betalingsverplichting?

Een betalingsverplichting ontstaat op het moment dat een huisbezoek wordt afgesproken. Aan het voortraject, de beoordeling van het thuisonderwijswerkplan, zijn geen kosten verbonden, ook niet als ouders ervoor kiezen om van het huisbezoek af te zien.

6. Hoe kan men zich op het huisbezoek voorbereiden?

Het huisbezoek is bedoeld om na te gaan of de papieren werkelijkheid zoals beschreven in het thuisonderwijswerkplan in voldoende mate overeenkomt met de thuisonderwijspraktijk. Daartoe voeren we een gesprek met de ouders aan de hand van het thuisonderwijswerkplan. In het gesprek kunnen we om een toelichting of verduidelijking vragen. Ook kunnen we vragen om inzage in bijvoorbeeld leermaterialen of in oefenbladen of werkstukken. Graag maken we tijdens het huisbezoek tevens kennis met het kind. Als deze aan het gesprek wil deelnemen, vinden we dat fijn, maar het is geen eis. Veel kinderen vinden het leuk om mooie dingen te laten zien die ze gemaakt hebben. Daar is zeker ruimte voor. De duur van het huisbezoek varieert, zo leert de praktijk, tussen één en twee uur, enigszins afhankelijk ook van het aantal kinderen voor wie het certificaat wordt aangevraagd.

7. Is het mogelijk het certificaat voor meer kinderen tegelijk aan te vragen?

Ja, maar wel onder de voorwaarde dat het kinderen uit één gezin zijn. We verwachten voor elk kind een eigen thuisonderwijswerkplan. Ouders kunnen ervoor kiezen de werkplannen helemaal te scheiden. Maar ook is het mogelijk dat er algemeen gedeelte is dat voor beide kinderen geldt, naast het kind gebonden deel. In beginsel wordt het huisbezoek voor de kinderen gezamenlijk uitgevoerd.

8. Hoe staat de stichting tegenover unschooling?

De stichting is zich ervan bewust dat thuisonderwijs veel verschijningsvormen kent, van een strakke op een school gelijkende aanpak tot een veel lossere benadering waarbij veel ruimte is voor initiatieven van het kind. Voor alle vormen hanteren wij dezelfde criteria en wij kennen dus maar één keurmerk. Ongeacht de gekozen vorm van thuisonderwijs verwachten wij duidelijkheid over de dragende onderdelen van het thuisonderwijswerkplan: waar bent u nu (wat heeft het kind allemaal al geleerd), waar wilt u naartoe (welke doelen hoopt u over één, twee of drie jaar te bereiken), hoe denkt u daar te komen (inzet van materialen en aanpakken) en hoe houdt u de vinger aan de pols wat betreft de voortgang van de ontwikkeling? In de praktijk is inmiddels vastgesteld dat ook unschoolers aan deze criteria kunnen voldoen.

9. Is een certificaat alleen haalbaar als het kind een normale of bovengemiddelde ontwikkeling kent?

Nee, zeker niet. Wij certificeren ook ouders van kinderen die een minder voorspoedige ontwikkeling doormaken of die op school zijn vastgelopen. Wel vragen wij ons in zulke gevallen altijd af of er een verklaring te geven is voor de ‘andere’ ontwikkeling. Die verklaring kan namelijk van belang zijn voor het opstellen van een passend thuisonderwijswerkplan.

10. Hoe wordt de geldigheidsduur van het certificaat bepaald?

Het certificaat heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar of zoveel korter als ouders wensen. Het kan voorkomen dat wij als stichting vragen blijven houden over de duurzame deugdelijkheid van het thuisonderwijs. Openblijvende vragen kunnen zowel betrekking hebben op het thuisonderwijswerkplan als op het huisbezoek. Het kan bijvoorbeeld zijn dat wij dat wat in het thuisonderwijswerkplan is vastgelegd, onvoldoende in de praktijk herkennen. In voorkomende gevallen brengen wij een duurbeperking aan. Het is aan de ouders om na het verstrijken van de geldigheid al of niet opnieuw het certificaat aan te vragen.